Ons werkterrein concentreert zich op de regio Randstad / West- en Zuid-Nederland. Hier treft u een aantal voorbeelden van door Hollandia Archeologen uitgevoerde projecten. De rapporten kunnen worden gedownload, de locaties geopend in Google Maps en Google Earth. Download Google Earth
Begin 2009 heeft een team van Hollandia archeologen een opgraving uitgevoerd in de binnenstad van Gorinchem. Hierbij is een perceel aan de Nieuwstad onderzocht, dat binnen de laat 16e-eeuwse vestingwerken van de stad ligt.
Zoals bij veel Nederlandse vestingsteden was de dreiging van de Tachtigjarige Oorlog de aanleiding om de verdediging van de stad te moderniseren. De bewoners van de overvolle middeleeuwse stad kregen ineens de ruimte door de ruime percelen die op de grond binnen de nieuwe stadsgrenzen beschikbaar werd. Rondom de Nieuwstad streken de rijke Gorkummers neer, die er stadspaleizen met weelderige tuinen lieten aanleggen. Ook de welstand van de bewoners op het onderzochte perceel was tot ver in de 18e eeuw bovengemiddeld te noemen.
Bij de archeologische opgraving kwamen ondermeer laat 16e- tot 19e-eeuwse muurfunderingen aan het licht, die de overblijfselen waren van het verbouwen en herbouwen van de panden door de eeuwen heen. Zeer spectaculair was de vondst van een rijk gevulde beerput. Hierin werden 417 aardewerken en 179 glazen voorwerpen gevonden, evenals voorwerpen van metaal en dierlijk slacht- en consumptieafval - een uitzonderlijk grote hoeveelheid vondsten.
Enkele nauwkeurig dateerbare kleipijpen gaven aanleiding tot de hypothese dat het merendeel van het materiaal in de eerste drie decennia van de 18e eeuw is afgedankt. Dit overlapt met de periode waarin Philip de Saint Amant met zijn vrouw Jubina Maria de Clair de panden bewoonden. Philip stierf, kinderloos en weduwnaar, op 10 maart 1735. Zijn eigendommen zijn daarna geïnventariseerd, waarbij de erfgenamen mogelijk de minder waardevolle (of onverkoopbare) stukken van de huisraad in de beerput hebben gegooid. Toch roepen de vondsten een beeld op van een vrij welvarend huishouden, met onder andere een grote hoeveelheid drinkglazen en – de topvondst van dit onderzoek – een zakhorloge uit het atelier van John Cotsworth (1669-1732).
Rapport:
Inventariserend Veldonderzoek door middel van proefsleuven (IVO-P),
december 2008.
Tijdens dit onderzoek zijn goed geconserveerde archeologische resten uit de Late Middeleeuwen aangetroffen. Deze resten dateren uit de eerste ontginning van het gebied (10de-13de eeuw).
Er is een restant van een akkerlaag aangetroffen, alsmede een relatief groot aantal kuilen en greppels. Het aangetroffen vondstmateriaal uit deze periode bestaat uit voornamelijk handgevormd aardewerk. Hier zijn 45 fragmenten van gevonden, merendeels bestaande uit fragmenten kogelpot en grijs aardewerk uit de 12de-13de eeuw, al dan niet met ‘besenstrich’ versierd. Van een aantal fragmenten kon worden vastgesteld dat het van een handgevormde pot was met gedraaide rand. Er is ook één fragment gevonden van een oudere kogelpot met steengruis magering, daterend uit de 10de-12de eeuw. Naast het handgevormd aardewerk werden ook fragmenten huttenleem, dierlijk botmateriaal en natuursteen (waarvan een fragment maalsteen) gevonden.
Gezien de hoeveelheid aangetroffen sporen en vondsten uit deze periode, het gevarieerde vondstenspectrum, de relatief geringe fragmentatiegraad en de aanwezigheid van concentraties huttenleem, ligt de proefsleuf vermoedelijk binnen of zeer dichtbij een middeleeuwse nederzetting. Mogelijk is dit een van de eerste ontginningsboerderijen.
Deze vindplaats is als behoudenswaardig gewaardeerd.
Verder heeft het onderzoek aangetoond dat er op deze locatie ook sprake is van archeologische
resten uit de Nieuwe Tijd. Het gaat om één kuil, één greppel en een restant van een grotendeels in
de recente bouwvoor opgenomen bouwvoor uit de Nieuwe Tijd. Het vondstmateriaal uit deze periode bestaat uit met name aardewerk, in de vorm van faïence, majolica, roodbakkend aardewerk, en witbakkend aardewerk. Eén van deze scherven witbakkend aardewerk komt mogelijk uit Saintonge (Frankrijk) en is te dateren in de 16e-17e eeuw. Op het platteland van Noord-Holland is Saintonge aardewerk tot op heden een zeer zeldzame vondstcategorie. Het overige vondstmateriaal uit de Nieuwe Tijd betreft mortel, baksteen, natuursteen en dierlijk bot
Rapport:
Archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek (boringen) Guisveld / Vijverlanden te Wormerveer, gemeente Zaanstad.(archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek door middel van boringen, augustus 2008)
Binnen het plangebied hebben zes papiermolens gestaan. Het betreft De Oude Blauw, De Rijzende Zon, De IJver, De Vergulde Bijenkorf, De Oude Voorn (II) en Het Herderskind, met de bijbehorende vijverlanden.
Vijverlanden zijn weilanden bij een papiermolen waarin lange greppels zijn uitgegraven voor de zuivering van water. Met dit zuivere water kon witpapier worden gemaakt, een belangrijk en zeer winstgevend exportproduct van de 17e en 18e eeuwse Zaanse industrie.
In het terrein zijn de overblijfselen van deze papierindustrie deels nog zichtbaar, zoals de verhogingen waar de papiermolens ooit stonden, de nu deels dichtgegroeide sloten of vijverlanden, een stenen waterput (zie foto 2) en de funderingen van een gebouw. De overblijfselen zijn van belang voor de geschiedenis van de Zaanstreek en de industriële ontwikkeling in de 17e en 18e eeuw en vertegenwoordigen een zeldzaam aspect hiervan. Er zijn nauwelijks andere vijverlanden in Nederland bewaard gebleven. De vijverlanden zijn dan ook een gemeentelijk monument.
Rapporten:
Kasteelterrein ‘Huys ten Nuwendoorn’, gemeente Harenkarspel.(archeologisch inventariserend veldonderzoek door middel van proefsleuven, juli 2008)
In het kader van geplande bodemverstorende werkzaamheden op kasteelterrein ‘Huys ten Nuwendoorn’ aan de Burchtweg nabij Eenigenburg en Krabbendam, is door Hollandia Archeologen een bureauonderzoek uitgevoerd.Het ‘Huys ten Nuwendoorn’ vormde één van de maatregelen van Floris V (graaf van Holland) om zijn greep op de inwoners van Westfriesland te versterken. Om zeggenschap op de pas veroverde gebieden te behouden bouwde hij een reeks ‘dwangburchten’, waarvan ‘Huys ten Nuwendoorn’ bij Krabbendam er één is geweest. Het is zeer waarschijnlijk dat het kasteelterrein nog niet-gedocumenteerde archeologische waarden bevat. De polder ‘Nuwendoorn’ dient hoe dan ook te worden onderworpen aan vervolgonderzoek in de vorm van een Inventariserend veldonderzoek (IVO) door middel van proefsleuven. Ook binnen de muren van het kasteel dient vooralsnog rekening te worden gehouden met de aanwezigheid van archeologische waarden. Geadviseerd wordt om binnen de kasteelmuren grondboringen te verrichtten.
Rapport:
Grafveldonderzoek Achter de Kerk, Gorinchem
(definitieve archeologische opgraving, mei 2008)
Tijdens deze opgraving is een vijftigtal menselijke skeletten in houten kisten aangetroffen.
Het gaat
om begravingen in een kerkhof die uit de Nieuwe Tijd dateren, maar mogelijk al vanaf de Late
Middeleeuwen.
Tevens is het boek "In de schaduw van de Grote Kerk" verschenen over dit onderzoek, informatie vind u hier.
Rapport:
Archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek door middel van boringen aan de
Dorpsstraat 603 te Assendelft,
februari 2008, gemeente Zaanstad.
In februari 2008 zijn een bureauonderzoek en een booronderzoek uitgevoerd voor de locatie aan de
Dorpsstraat 603 te Assendelft. De resultaten van het booronderzoek bevestigen het
verwachtingsmodel uit het bureauonderzoek. Er bevindt zich minstens één pakket in de ondergrond
waarin archeologische sporen kunnen voorkomen. De datering van de aangetroffen ophogingslagen
is, wegens gebrek aan vondstmateriaal in de boorkernen, echter niet duidelijk, eveneens de datering
van het muurwerk waar de sonderingsstaaf op stuitte.
Het gaat waarschijnlijk wel om resten van een
oude molen uit 1441-1575 en zijn opvolgers.
Rapport:
Archeologisch inventariserend veldonderzoek door middel van proefsleuven, juli 2007, en
definitieve archeologische opgraving, januari 2008
Tijdens het inventariserend veldonderzoek werden twee ronde ovens ontdekt. Tijdens de opgraving werd nog een derde oven blootgelegd, evenals het gebouw waarin de ovens stonden.
monnickendam
Door een grondige bestudering van de opgravingsgegevens, gecombineerd met historisch kaartmateriaal en de uitkomsten van historisch onderzoek door Appel (1989) konden de ovens en het gebouw worden geïdentificeerd als de resten van zoutkeet ‘De Oranjeboom’ die werd opgericht in de vroege 17e eeuw.
Rapporten:
Archeologisch inventariserend veldonderzoek door middel van proefsleuven, juli - augustus 2007,
en definitieve archeologische opgraving, september - oktober 2007)
De aangetroffen sporen en structuren bestaan uit resten van stedelijke bebouwing uit de late
middeleeuwen en nieuwe tijd.
Deze sporen strekken zich uit tot buiten de onderzochte locatie. Het
betreft hier vele muren en funderingen, in verschillende bouwfasen, (water)keldertjes, al dan niet
met een vloertje, ophogingslagen uit verschillende periodes van bewoning en bebouwing langs de
dijk. In totaal werden er 8 afval- en beerputten aangetroffen, waarvan de meeste houten beerputten
waren, al dan niet met een stenen bovenconstructie. De oudste hier aangetroffen tonput dateert
vermoedelijk uit de 15e eeuw, dit op basis van de aardewerkvondsten in de beervulling. Sporen uit periodes voor de middeleeuwen zijn niet aangetroffen maar kunnen op een dieper niveau aanwezig zijn. De definitieve archeologische opgraving bevindt zich nog in de uitwerkingsfase.
Rapporten:
Archeologisch inventariserend veldonderzoek door middel van proefsleuven, augustus, september
en oktober 2007
Bij het proefsleuvenonderzoek op plangebied Reigersborg V zijn zeer veel archeologische sporen
aangetroffen.
Een aantal houdt verband met de eerste middeleeuwse ontginning van het gebied en
dateert rond de 12e eeuw.
Het merendeel van de sporen kan echter geplaatst worden in
verschillende fasen van de Late Bronstijd. Sporen uit deze tijd zijn zowel in de lagergelegen
kommen als op de kreekruggen aangetroffen en zijn veelal direct onder de bouwvoor reeds aanwezig. Op de kreekruggen zijn zij weliswaar aangetast door egalisaties maar nog wel “leesbaar”. De vele greppels en kruisingen van greppels wijzen op landinrichtingssystemen.
Concluderend kan gesteld worden dat binnen Reigersborg V diverse huiserven uit de Late Bronstijd
met de bijbehorende off-site fenomenen aanwezig zijn. Binnen West-Friesland is dit niet heel
zeldzaam, binnen Nederland en zelfs Europa wel degelijk. Daarbij moet beseft worden dat het
aantal vergelijbare vindplaatsen in West-Friesland in rap tempo verdwijnt door ingrijpende
landbouwwerkzaamheden en de druk op open gebieden door bouwactiviteiten.
Rapport:
Archeologisch Inventariserend Veldonderzoek door middel van proefsleuven,
December 2007, Kreekrijk, Assendelft, gemeente Zaanstad.
Uit het bureauonderzoek is gebleken dat binnen het plangebied drie archeologische monumenten en een groot aantal bekende vindplaatsen uit de IJzertijd, inheems-Romeinse tijd en Middeleeuwen aanwezig is. Hoogstwaarschijnlijk vormen deze reeds bekende vindplaatsen slechts een deel van het werkelijke aantal vindplaatsen binnen het plangebied.
Bij het in december 2007 uitgevoerde proefsleuvenonderzoek in het plangebied Kreekrijk te
Assendelft zijn vier archeologische vindplaatsen aangetroffen.
Vindplaats 1 bestaat uit een oude geul. In de vullingslagen van de geul is vondstmateriaal uit de
Late IJzertijd gevonden. Het kan niet worden uitgesloten dat in de geulvulling ook nog vondsten uit
andere perioden aanwezig zijn.
Vindplaats 2 bestaat uit een vermoedelijke vertrapte zone en een kuil uit de Romeinse tijd. Andere
sporen zijn hier, evenmin als vondsten, niet aangetroffen.
Vindplaats 3 wordt gevormd door een plaggenconcentratie op een oligotroof veenkussen en een
haardplaats. Blijkens het gevonden aardewerk dateert de vindplaats omstreeks de 12e eeuw.
Het zou hier kunnen gaan om een huisje of een special activity area.
Vindplaats 4 wordt gevormd door de oeverwallen aan weerszijden van deze geul. In tegenstelling
tot de verwachting zijn op de oeverwallen geen sporen en vondsten uit de Late IJzertijd en/of
Romeinse tijd gevonden. Wel zijn er op de oeverwallen grote aantallen sporen uit de
Middeleeuwen, vooral bestaande uit zandwinningskuilen, aanwezig.
Rapporten:
'De boogaert', gemeente Castricum.
(archeologisch inventariserend veldonderzoek door middel van proefsleuven, februari - maart 2007,
en definitieve archeologische opgraving, maart 2007)
Op donderdag 8 en vrijdag 9 februari en op donderdag 2, vrijdag 3 en maandag 5 maart 2007 is in opdracht van De Wonerij een inventariserend veldonderzoek (IVO) in de vorm van proefsleuven uitgevoerd op het terrein aan De Boogaert in Castricum, gemeente Castricum.
Er werden twee vindplaatsen uit de Romeinse Tijd ontdekt. Beide vindplaatsen zijn in de 2
de
en 3
de
eeuw te dateren.
De oostelijke vindplaats (vindplaats 1) bevatte vooral nederzettingssporen als kuilen, paalkuilen en
greppels. De sporen bevonden zich op een diepte van ca. 0,9 m onder het maaiveld (tussen 0,4 en
0,6 m onder NAP), en kwamen tevoorschijn onder een 0,2 m dikke cultuurlaag.
In een van de westelijke werkputten waar de spoordichtheid laag was, werden twee ingegraven
bijna complete potten aangetroffen. Bij een van de twee potten werd een deel van het skelet van een
jong rund aangetroffen dat om de pot heen was gelegd. Waarschijnlijk markeren deze potten het
westelijk einde van de oostelijke vindplaats.
Hoewel het inheemse aardewerk moeilijk nauwkeurig te dateren valt, lijkt het merendeel van het
materiaal van vindplaats 1, afkomstig te zijn uit de 2de en 3de eeuw na Christus. De tweede vindplaats ligt meer naar het westen. Hier werden een onder andere een tweetal waterputten en een vondstrijke greppel aangetroffen. Waarschijnlijk heeft er dichtbij een woonstalboerderij gestaan, deze is echter niet in de proefsleuven teruggevonden. Mogelijk heeft deze iets ten noorden van de vindplaats gestaan. Hier is de bodem door sloopwerkzaamheden ernstig verstoord.
De twee vindplaatsen maken deel uit van een nederzettingscomplex binnen een 500 m lange strook
die loopt vanaf “De Boogaert” tot aan de Oosterbuurt (Hagers & Sier, 1999). Hierbinnen zijn vanaf
de jaren zestig van de vorige eeuw circa 13 vindplaatsen uit de Romeinse Tijd aangetroffen. De
ligging van deze vindplaatsen hangt sterk samen met de geomorfologie en geologie. Aan het begin van de jaartelling is er sprake van een verland getijdenlandschap. Door voortdurende aanvoer van sediment slibde het zeegat van het Oer-IJ bij Castricum uiteindelijk dicht rond het begin van de jaartelling. Slechts incidenteel kwam er bij springtij nog zeewater in het achterland.De hogere zandplaten waren daardoor vooral vanaf de 2e eeuw zeer geschikt voor bewoning. Ook de latere akkers en bedijking rondom Castricum, volgt deze oude noordwest-zuidoostelijke richting.
Rapport:
Inventariserend veldonderzoek (boringen) Wormer- en Jisperveld, baggerdepots blok 3, 4 en
5, locaties H, I, J, K, L, M, N, O en P, gemeente Wormerland.
In mei 2007 is in opdracht van het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier een
inventariserend veldonderzoek (IVO) in de vorm van boringen uitgevoerd op de locaties van tien
geplande baggerdepots in de polder Wormer- en Jisperveld. Tevens is voor de uit het voorafgaande
bureauonderzoek bekende molenplaatsen een visuele inspectie uitgevoerd. De tien depots,
behorende tot baggerblok 3, 4 en 5, worden aangeduid met de letters I, J, K, L, M, N (1 en 2), O, en
P. Locatie H behoort nog bij baggerblok 2.
Het onderzoek is een vervolg op de in 2005 en 2006 eveneens door Hollandia Archeologen
uitgevoerde onderzoeken ter plaatse van de baggerdepots van blok 1 en blok 2. Het veenweidegebied van de polder Wormer- en Jisperveld is pas in de Late Middeleeuwen bewoond geraakt. De hier aanwezige archeologische resten dateren dan ook uit deze en latere perioden en bevinden zich in de bovenste meter van de bodem. Het kan hierbij gaan om ontginningsnederzettingen uit de Late Middeleeuwen en proto-industriële overblijfselen uit de Nieuwe Tijd zoals windmolens en traankokerijen.
Resultaten Locatie H
Van de vier reeds uit het bureauonderzoek bekende molens kon alleen de windverfmolen De Uil in
het veld gelokaliseerd worden. Er werden diverse gefragmenteerde molenstenen aangetroffen, en
hoewel de resten grotendeels overwoekerd waren, was de omvang van de molen in het veld goed
zichtbaar. Langs de slootkant werden een molensteen en enkele fragmenten rood geglazuurd
aardewerk aangetroffen. Deze fragmenten kunnen in de 18e of 19e eeuw gedateerd worden.
Daarnaast werden op deze locatie twee cultuurlagen en een mogelijke huisplaats, zichtbaar als een
grote puinbult, aangetroffen.
Locatie I
In diverse boringen werden op een diepte van 0,9-1,0 m onder het maaiveld baksteenfragmenten en/
of opgebracht zand aangetroffen waarmee de hele locatie kan worden aangemerkt
als vindplaats. Aard en datering van de vindplaats zijn echter vooralsnog onduidelijk.
Locatie J
In twee boringen op de zuidoost hoek van het perceel is een cultuurlaag aangeboord. Deze bevond
zich op een diepte van 0,8 m onder het maaiveld.
Locatie K
Op deze locatie zijn bij het booronderzoek geen aanwijzingen voor de aanwezigheid van
archeologische overblijfselen gevonden.
Locatie L
In de boringen zijn hier geen archeologische indicatoren aangetroffen. Wel werd aan de
zuidwestzijde van het perceel een kleine watermolen geconstateerd.
Locatie M
In het noordoostelijk deel van de onderzoekslocatie is, blijkens het bureauonderzoek, een
middeleeuwse vindplaats aanwezig. In het zuidwestelijke deel van het perceel werd een, en op
sommige plaatsen een tweede, cultuurlaag aangetroffen op een diepte van 0,1 en 0,5 m onder het
maaiveld.
Locatie N
Bij het booronderzoek werden op het meest westelijke perceel twee archeologische niveau’s aangeboord op 0,7-0,9 m en 0,2 m onder het maaiveld. In een molshoop werd een fragment
Paffrath-aardewerk uit de 10e
-13e
eeuw aangetroffen.
Locatie O
Bij het onderzoek zijn hier geen archeologische indicatoren aangetroffen.
Locatie P
Er zijn op deze locatie geen aanwijzingen gevonden voor de aanwezigheid van een archeologische
vindplaats.
Rapporten:
Archeologische opgraving Breestraat/Peperstraat te Beverwijk
(definitieve archeologische opgraving, juli – augustus 2005)
Over bijna het gehele terrein zijn akkerlagen met ploegsporen aangetroffen welke
vermoedelijk uit de IJzertijd/Romeinse tijd dateren.
In een van de akkerlagen werden een menselijk
dijbeen en enkele ribben aangetroffen.
Waar de strandwal iets duikt (richting de Breestraat en de
Peperstraat), zijn deze lagen zeer goed geconserveerd. Waar de strandwal wat hoger lag zijn de
akkers weg geërodeerd. Andere sporen uit deze periode zijn niet aangetroffen. De verklaring
hiervoor ligt waarschijnlijk in het feit dat de sporen op een hoog deel van het terrein lagen en
daardoor afgetopt zijn. Hierdoor zouden alleen restanten van diepere sporen bewaard zijn gebleven.
Bovendien zijn de andere delen van het terrein, waar mogelijk ook sporen uit deze periode hebben
gelegen, verstoord door latere bewonings-activiteiten, zoals de aanleg van moesbedden, greppels en
waterputten. Mogelijk ook bevindt het opgegraven terrein zich in de periferie van de prehistorische
nederzettingen.
Een ca. vijf bij twee meter grote kuil bevatte aardewerk uit ca. 800 voor Christus en
kan daarmee geplaatst worden in de Late Bronstijd/Vroege IJzertijd.
Een zeer groot aantal sporen, bestaande uit paalkuilen, greppels en waterputten kan geplaatst
worden in de periode 1200-1400. Ondanks de vele paalkuilen konden er echter geen plattegronden
gereconstrueerd worden. Een leuke vondst uit deze tijd is een complete grijsbakkende kan
(afbeelding 1) uit een van de tien waterputten. Aan de Breestraat, ongeveer op de plaats waar het
huis van Brugman gestaan moet hebben, werd een vierkante, uit bakstenen opgebouwde,
haardplaats aangetroffen welke in de 14e
eeuw dateert. Naast de haard was een aspot ingegraven.
Van het huis waar-binnen de haard geplaatst was werd behalve drie bakstenen poertjes niets meer
aangetroffen. Latere bewoning had de sporen van dit huis grotendeels weer opgeruimd.
Uit de periode 1500-1950 is een groot aantal beerputten, waterputten en kelders afkomstig. Een van
de beerputten bevatte een compleet Westerwaldkannetje uit de periode 1800-1850. Een andere
beerput bevatte naast zeer veel aardewerk ook fraai glaswerk uit de
periode 1700-1850.
Ter plekke van de locatie van het huis van Jan Brugman (figurant op de Nachtwacht) zijn
funderingen aangetroffen van een café wat hier in de jaren 20 van de 20e
eeuw heeft gestaan. Bij de
(her)bouw van dit café zijn vermoedelijk oude funderingen (van het huis van Brugman?) gesloopt
en zijn de stenen hiervan hergebruikt voor de funderingen van het café. Deze funderingen bestaan
namelijk uit 17e
eeuwse bakstenen maar met een zeer harde (dus vrij nieuwe) mortel. Bovendien
gaat een ingraving met vondstmateriaal uit de periode 1900-1920 onder de funderingen door en
kunnen deze dus niet uit de 17e
eeuw stammen.
Rapporten:
De opgraving van een prehistorische boomstamkano in Uitgeest, N-H.
Op vrijdag 7 november 2003 is tijdens graafwerkzaamheden voor de aanleg van de
spoorverkeerstunnel De Kleis bij Uitgeest een eikenhouten boomstamkano ontdekt.
Deze kano lag
in een dichtgeslibde getijde-kreek die onderdeel uitmaakte van het voormalige
Oer-IJ estuarium.
Door gezamenlijke inspanning van de opdrachtgevers (ProRail) en provincie Noord Holland,
de aannemer (VBK/Welling) en het rijk (ROB, nu RACM) is de kano opgegraven en wordt deze
geconserveerd bij het Nederlands Instituut voor Scheeps- en onderwater Archeologie (NISA) in
Lelystad.
De ontdekking van de kano is een zeer gelukkig toeval geweest. Gezien de diepte van meer dan 6
meter onder het oppervlak, zou een dergelijke vondst normaal gesproken nooit gedaan worden. Dit
levert niet alleen een bijzonder object op (wat de omvang en zeldzaamheid betreft) van 2600 jaar
oud, maar ook bijzondere kennis over dit deel van ons land uit de (vroege-) midden ijzertijd, een
periode waaruit relatief weinig archeologische vondsten bekend zijn.
Rapport: